Driehonderd miljoen voor Vlaams toneel

Driehonderd miljoen voor Vlaams toneel

Le 22 Juin 1980
Foto: Rose-Marie Laneau
Foto: Rose-Marie Laneau

A

rticle réservé aux abonné·es
Foto: Rose-Marie Laneau
Foto: Rose-Marie Laneau
Article publié pour le numéro
Alternatives Théâtrales 4-Couverture du Numéro 4 d'Alternatives ThéâtralesAlternatives Théâtrales 4-Couverture du Numéro 4 d'Alternatives Théâtrales
4
Article fraîchement numérisée
Cet article rejoint tout juste nos archives. Notre équipe le relit actuellement pour vous offrir la même qualité que nos éditions papier. Pour soutenir ce travail minutieux, offrez-nous un café ☕

Vorig seizoen, 1978 – 1979, werd het Ned­er­land­stal­ig beroep­stoneel in Bel­gië bedacht met een rijk­stoe­lage van 302.868.102 fr., uit­ges­meerd over 33 gezelschap­pen. Dat is iets meer dan 3 % van de totale begrot­ing van Ned­er­landse kul­tu­ur, die op 12 juni 1979 aan de Kul­tu­ur­raad voor de Ned­er­landse kul­tu­urge­meen­schap werd voorgelegd. Die totale begrot­ing beliep 9.557.100.000 fr. Daar­van ging 3.556.800.000 fr. ais dotatie naar de BRT (Bel­gis­che Radio en Tele­visie), 1.915.100.000 fr. naar het kun­ston­der­wi­js, 502.250.000 naar volk­son­twik­kel­ing en samen­lev­ing­sop­bouw, 389.950.000 naar jeugdvorm­ing. Dat zijn de vier stukken sub­si­diekoek, die grot­er zijn dan dat van het beroep­stoneel. Dit laat­ste gaat lopen met het leeuweaan­deel uit de begrot­ing voor kun­sten, 304.900.000 fr. op 12 juni 1979, lat­er aangepast tot 329 miljoen, of bij­na een derde van het totaal, dat , 966.920.000 fr. bedraagt. Ter vergelijk­ing : voor opera en dans werd 235.100.000 fr. voorzien, voor muziek 88.500.000 fr., voor film 57.200.000 fr., voor let­terkunde 27.320:000 fr. Open­bare lek­tu­ur­voorzien­ing van haar kant was goed voor 248.850.ÔOOfr ., Lichamelijke opvoed­ing, sport en open­luchtleven voor 104.100.000fr. ln de prak­tijk wor­den die andere begrotin­gen echter niet voor 100 % waar gemaakt zoals wel gebeurt met het toneel. Hier kun­nen al dadelijk een paar vra­gen wor­den gesteld. Mag uit die bedra­gen wor­den afgelezen welk belang de over­heid hecht aan de respek­tieve sek­toren van het kul­tureel lev­en ? Kri­jgt het toneel de ste­un die het in de Vlaamse samen­lev­ing waard is ? Of wordt het over­schat en, zo ja, door wie ?
De rijk­stoe­la­gen voor beroep­stoneel wor­den toegek­end in uitvo­er­ing van het zg. tea­ter­dekreet. Sedert 1 jan­u­ari 1976 wordt de sub­sidiëring van het Ned­er­land­stal­ig beroep­stoneel in Bel­gië door dat dekreet geregeld. De offi­ciële tekst, « Dekreet houdende de sub­si­dieregeling voor de Ned­er­land­stal­ige toneelkun­st », door de Kul­tu­ur­raad voor de Ned­er­land­stal­ige Kul­tu­urge­meen­schap aangenomen en door de kon­ing bekrachtigd op 13 juni 1975, ver­scheen in het Bel­gisch Staats­blad op 4 sep­tem­ber 1975. Het dekreet behelst drie hoofd­stukken : 1. Erken­ning van de instellin­gen voor toneelkun­st ; 2. Sub­sidiëring van de instellin­gen voor toneelkun­st ; 3. Opricht­ing en samen­stelling van de Raad van Advies voor de Toneelkun­st.

1. Erken­ning

ln het eerste hoofd­stuk valt op, dat niet gezelschap­pen ais zodanig wor­den erk­end, maar « instellin­gen voor toneelkun­st » (art. 1 ). Daar­door wor­den de gezelschap­pen ged­won­gen een juridis­che struk­tu­ur aan te nemen, en niet slechts feit­elijke verenigin­gen te bli­jven. Ais instelling voor toneelkun­st kun­nen wor­den erk­end, instellin­gen die een reper­toiregezelschap, een sprei­d­ings­gezelschap, een kamergezelschap of een gezelschap voor exper­i­menteel teater of vorm­ing­stoneel beheren (art. 3).
Om’voor erken­ning in aan­merk­ing te komen moet een instelling ais vo1gt zijn geor­ga­nizeerd : 1) opgericht zijn het­z­ij door een open­baar bestu­ur (provin­cie, gemeente, Ned­er­landse kom­missie voor de kul­tu­ur van de Brus­selse agglom­er­atie), het­z­ij ais instelling van open­baar nut of ais verenig­ing zon­der win­stoog­merk ; 2) beschikken over een vast gezelschap van beroep­sak­teurs ; 3) indi­en opgericht door een open­baar bestu­ur, beschikken over een kom­misssie van advies (elf leden, toneeldeskundi­gen, aangesteld vol­gens nor­men in art. 2 omschreven), die het open­baar bestu­ur bijs­taat ; voor i.o.n. of v.z.w. wordt zulke kom­missie niet vereist : zij hebben een raad van beheer. Erken­ning kan door de kon­ing ingetrokken wor­den (art. 4) of tijdelijk door de bevoegde min­is­ter, d.i. de min­is­ter tot wiens bevoegdheid de Ned­er­landse kul­tu­ur behoort, wor­den ver­lengd wan­neer een instelling niet meer aan de vereiste voor­waar­den zou vol­doen en er toch nog rede­nen zijn om de erken­ning niet in te trekken (art. 5).
Wat zijn die voor­waar­den ? Zij wor­den gestip­uleerd in art. 3 en ver­schillen naar gelang van de vier reeds genoemde kat­e­gorieën. Ais we art. 3 resumeren in een tabel, wor­den de respek­tieve vereis­ten en de onder­linge ver­schillen aan­schouwelijk­er :

AT04 92

Eerste vast­stelling : voor instellin­gen die een reper­toiregezelschap, een sprei­d­ings­gezelschap of een kamergezelschap beheren, wordt niet gezegd welke soort van aktiviteit­en zij moeten ont­plooien ; in tegen­stelling tot de instellin­gen die een gezelschap voor exper­i­menteel toneel of vorm­ing­stoneel beheren : daar­van wor­den aktiviteit­en verwacht die een exper­i­menteel en/of tijdelijk karak­ter hebben en kun­nen bij­dra­gen tot de ontwik­kel­ing en de sprei­d­ing van de toneelkun­st. Over de inhoud van die aktiviteit­en wordt verder (gelukkig) niets bepaald.

De ver­schil­lende kat­e­gorieën wor­den overi­gens hele­maal niet gedefinieerd noch onder­ling onder­schei­den vanu­it een toneelkun­stige inhoud. Ware dat nog eniger­mate mogelijk voor repert6iretoneel, kamer­toneel, exper­i­menteel toneel en vorm­ing­stoneel — vier ter­men die elk nog een beeld van een bepaald soort toneel oproepen -, een begrip ais « sprei­d­ing » heeft met artistieke inhoud niets van­doen. ln feite is trouwens de naam « sprei­d­ings­gezelschap » mis­lei­dend : niet alleen de groepen uit kat­e­gorie B reizen door heel het Vlaamse land met hun voorstellin­gen, ook andere doen dat. TIL b.v., erk­end ais kamerteater, is voort­durend onder­weg ; en zelfs reper­toiregezelschap­pen bli­jven niet aan hun « vaste » schouw­burg gek­luis­terd : het NTG b.v. gaf in ‘78-’79 een vijftig­tal reisvoorstellin­gen, van Knokke tot Neer­pelt ; de KNS gaf in ‘76-’77, buiten 211 voorstellin­gen in eigen zaal, 67 reisvoorstellin­gen eiders in Vlaan­deren en 10 in Ned­er­land, voor gemid­deld 486 toeschouw­ers. Het zijn maar voor­beelden. Vlaamse gezelschap­pen uit aile vier kat­e­gorieën steken geregeld ook de Hol­landse grens over. De indel­ing is inte­gen­deel van prag­ma­tis­che aard : een poging om de feit­elijke (en uit­brei­d­bare) veel­heid van toneel­gezelschap­pen, met het oog op het verde­len van beschik­bare kredi­eten, zodanig te kat­e­go­riz­eren dat zij gesub­si­dieerd wor­den naar gelang van hun belan­grijkheid.

En daar komt een burg­er­lijke aap uit de mouw. Ner­gens wordt in het dekreet over die belan­grijkheid met een woord gerept. Zij blijkt echter uit de indel­ing en de vol­go­rde van de kat­e­gorieën zelf, en uit de bedra­gen die wor­den toegek­end. Burg­er­lijk daarin is de vanzelf­sprek­end­heid waarmee reper­toiregezelschap­pen voorop­staan en exper­i­menteel teater en vorm­ing­stoneel achter­aan komen. De geves­tigde waar­den waar het eerst aan gedacht wordt, zijn recht­streeks voort­ge­spro­ten uit het burg­er­lijk teater van de 19de eeuw. ln hun uiter­lijke ver­schi­jn­ing getu­igen zow­el de betrokken schouw­bur­gen ais hun pub­liek daar­van : zalen à l’ital­i­enne, bezocht door erf­ge­na­men van de toen­ma­lige bour­geoisie (ni, ongeveer aile sociale klassen met uit­zon­der­ing van de onder­ste). De indel­ing weer­spiegelt van A tot D tevens een his­torische ontwik­kel­ing, de sprei­d­ingskat­e­gorie (B) alweer niet te na gespro­ken : in den beginne, v66r de tweede werel­door­log, was er het reper­toire­toneel ; daar­naast ontstond lat­er, na 1945, wat wij hier nu ver­staan onder kamer­toneel (Toneel­stu­dio 50 te Gent, de oud­ste kamer­toneel­in­stelling in Vlaan­deren, werd opgericht in 1950); exper­i­menteel toneel werd aan­vanke­lijk ook in de kamerteaters bedreven, maar toen deze op hun beurt aan dynamisme inboet­ten en iets van een « geves­tigd » karak­ter ver­wier­ven, bleek er meer ruimte voor exper­i­menteren te bestaan in wat, ander­maal uit een burg­er­lijke optiek, ais mar­gin­aal teater werd gedoo­d­verfd ; na het gewricht­s­jaar 1968 stak dan het vorm­ing­stoneel de kop op, ais een heden­daagse vari­ante van het maatschap­pelijk geën­gageerd ofte poli­tiek toneel.
De wet­gev­er heeft met de kat­e­go­riz­er­ing van het tea­ter­dekreet de opvat­tin­gen over toneel ais maatschap­pelijk fenomeen, die in onze samen­lev­ing over­heersen, tot de zijne gemaakt. Het is bij hem ongetwi­jfeld niet eens opgekomen dat b.v. meer sub­si­dies zouden kun­nen voorzien wor­den voor exper­i­menteel teater dan voor reper­toire­toneel, meer voor onder­zoek dan voor enter­tain­ment. Een wet­gev­er zet de wereld niet op zijn kop. Hij zorgt voor orde, met de bedoel­ing die te bestendi­gen, en houdt dus vast aan vei­ligheid eerder dan dat hij onzekere impulsen stim­uleert.

Tekeningen: Dominique Maes
Tekenin­gen : Dominique Maes

Tweede opmerk­ing : dat een erk­ende instelling voor toneelkun­st over een vast gezelschap van beroep­sak­teurs moet beschikken (art. 2) wordt voor de kat­e­gorieën A, B en C in art. 3 niet verder meer gepre­cizeerd, wel voor kat­e­gorie D. Die gezelschap­pen moeten namelijk min­stens voor de helft bestaan uit beroep­sak­teurs of sta­giairs met een toe­lat­ings­be­wi­js. De wet­gev­er bak­ent hier­mee het pro­fes­sioneel teater af tegen­over het ama­teur­toneel. Ook het vroeger in Vlaan­deren nogal eens geho­orde onder­scheid tussen pro­fes­sioneel en semi-pro­fes­sioneel wordt niet in aan­merk­ing genomen. Semi-pro­fes­sionele groepen waren des­ti­jds samengesteld uit een aan­tal beroep­sak­teurs naast ama­teurs. Het was wel eens een kneep, niet alleen om zich artistiek op te werken maar ook om de hand te kun­nen uit­steken voor een stuk­je sub­si­die. ln de huidi­ge kat­e­gorie D bli­jft iets over van dat semi-pro­fes­sioneel karak­ter, maar het dekreet voorkomt dat in zulk gezelschap meer ama­teurs dan beroeps­mensen aan het werk zouden zijn. Zo wordt enerz­i­jds een waar­borg en een beveilig­ing van het pro­fes­sion­al­isme inge­bouwd en anderz­i­jds een kans voor probeersels en vernieuwin­gen open gelat­en.

Wie is beroep­sak­teu r ? Dat werd door een KB van 5 juni 1969 (Bel­gisch Staats­blad 26.6.69) « houdende het ver­lenen en het bescher­men van de titel van beroep­stoneel­spel­er en ‑regis­seur » bepaald : « De beroep­stoneel­spel­er en de beroep­sregis­seur zijn kun­ste­naars die ais hoofd­beroep kreatieve presta­ties lev­eren bij het ver­tolken van drama­tisch werk » (art. 1 ). Wie dit beroep op 1 sep­tem­ber 1967 uitoe­fende, kreeg van rechtswege een beroep­skaart. De anderen moeten ofwel een diplo­ma van een con­ser­vatqri­um of een instelling ais het Hoger lnsti­tu­ut voor Drama­tis­che Kun­st (HDIK, Antwer­pen) of het Hoger Rijk­stech­nisch lnsti­tu­ut voor Toneel en Kul­tu­ur­sprei­d­ing (RITCS, Brus­sel) hebben, ofwel gedurende vijf jaar stage doen, om de beroep­skaart te bekomen. Formeel kan de beroep­sak­teur gedefinieerd wor­den als « een toneel­spel­er met een beroep­skaart ». Het tea­ter­dekreet laat de sta­giairs alleen toe in gezelschap­pen uit kat­e­gorie D. Over­al eiders wor­den beroepsspel­ers vereist. Met het oog op de sub­sidiërfng, wel te ver­staan.

Derde punt waar we even bij stil­staan : de kwan­ti­tatieve nor­men, degressief van A over B en C naar D, waar­door van repe-rtoiregezelschap­pen meer presta­ties wor­den gevorderd dan van de andere, ni. 8 pro­duk­ties tegen resp. 6, 4 en 0, met min. 160 voorstellin­gen tegen resp. 140, 120 en 75, en dit in lokalen met min. 450 tegen resp. 250, 50 en 50 zit­plaat­sen. ln deze· eis bli­jft de wet­gev­er kon­sek­went met zijn burg­er­lijke opvat­ting : van de zg. offi­ciële schouw­bur­gen wordt méér vereist. AIieen van deze laat­ste wordt ook gevraagd dat zij zouden ‘meew­erken aan de onder­linge uitwissel­ing van voorstellin­gen, de zg. draais­chi­jf tussen KNS, KVS en NTG, uit­lop­er van de idee van een Nation­aal Toneel uit de jaren ‘20 en van de poging tot ver­wezen­lijk­ing daar­van na de tweede werel­door­log. Even­zo wordt alleen van de instellin­gen die een reper­toiregezelschap beheren, het bewi­js ver­langd dat provin­cie en gemeente zich ertoe verbinden hun finan­cieel steen­t­je bij te dra­gen, alweer een spoor van de vroegere orga­ni­za­tie van de betrokken schouw­bur­gen.

Een laat­ste kwan­ti­tatieve norm die moet onder­streept wor­den, is de numerus clausus voor de kat­e­gorieën A, B en C : resp. 6, 6 en 15. ln een klein gebied ais het Vlaamse lands­gedeelte van Bel­gië zijn méér gezelschap­pen niet goed denkbaar. ln feite zijn er nu miss­chien al te veel, te oorde­len naar de mid­del­matigheid van het artistiek niveau en de ver­snip­per­ing van kracht­en ; en dan is de numerus clausus op verre na niet bereikt : er zijn th ans 4 gezelschap­pen in A, 3 in B, 7 in C. Kat­e­gorie D laat ook in dit opzicht weer de deur open : geen numerus clausus voor ini­ti­atieven, maar even­min besnoei­ing van eventuele wild­groei. Dat in kat­e­gorie A zes reper­toiregezelschap­pen mogelijk zijn, betekent dat elke Vlaamse provin­cie er over een zou kun­nen beschikken — dat is dus vijf — plus het KJT. Lim­burg en West-Vlaan­deren zijn daar echter niet aan toe.

ln de prak­tijk is het aan­tal door het rijk gesub­si­dieerde gezelschap­pen sinds het inwerk­ingtre­den van het tea­ter­dekreet aan enige wijzigin­gen onder­he­vig geweest : 23 in ‘76-’77, 28 in ‘77-’78, 33 in ‘78-’79 en 34 in ‘79-’80. De lijst voor ‘78-’79 zag er ais vol­gt uit :

A. Reper­toiregezelschap­pen

KNS :
Konin­klijke Ned­er­landse Schouw­burg,
Kome­dieplein, 2000 Antwer­pen

KVS :
Konin­klijke Vlaamse Schouw­burg,
Lake,nsestraat 146, 1000 Brus­sel

NTG :
Ned­er­lands Toneel Gent,
Sint-Baaf­s­plein 7, 9000 Gent

KJT :
Konin­klijk Jeugdteater,
KNS, Kome­dieplein, 2000 Antwer­pen

B. Sprei­d­ings­gezelschap­pen

RVT :
Reizend Volk­steater,
Aren­bergstraat 28, 2000 Antwer­pen

MMT :
Mechels Miniatu­urteater,
Oude Brus­sel­straat 10, 2800 Meche­len

WTAK :
West­vlaams Teater Ant’igone Kor­trijk,
Rijselses­traat 22, 8500 Kor­trijk

C. Kamerteaters

Are­na :
Ooievaarstraat 62,
9000 Gent

EWT :
EWT ‑Rand­stadteater,
Hert­straat 2, 2100 Deurne
(EWT stond oor­spronke­lijk voor « Eksperi mente le Werk­groep voor Toneel »)

Fakkelteater :
Mut­saert­straat 4, 2000 Antwer­pen

NET :
Arca-Nation­aal Eigen­ti­jds Teater,
Sint-Widos­traat 4, 9000 Gent

TIL :
Toneel­gezelschap lvonne Lex,
Lange Nieuw­straat 81, 2000 Antwer­pen
Brial­montteater : (zo heet JWT sinds 16 april jl.)
Brial­monstraat 11, 1030 Brus­sel

NJT :
Nation­aal Jeugdteater,
Rabot­straat 40, 9000 Gent

D. Exper­i­menteel toneel en vorm­ing­steater

Kollek­tief INS :
Kollek­tief Inter­na­tionale Nieuwe Scène,
Hert­straat 7, 2100 Deurne

Man­nen van den Dam :
INS — De Man­nen van den Dam,
Rode Leeuwlaan 13, 2510 Mort­sel

BKT :
Bra­bants Kollek­tief voor Teater­pro­jek­ten,
Lolle­pot­straat 12, 1000 Brus­sel

Het Tro­jaanse Paard :
Lange Winkel­straat 32, 2000 Antwer­pen

Werk­groep voor vorm­ing­steater :
Vuile Mong en de Vieze Gas­ten,
Ros­traat 2, 9930 Zomergem

Kor­rekelder :
Kraan­plaats 8, 8000 Brugge

BENT :
Bel­gies-Ned­er­landse Teater­pro­duk­ties,
Lage Rie­len 20, 2451 Kaster­lee

Teater Stekel­bees :
Hoge Weg 166, 9000 Gent

Teater Ver­tikaal :
Teater­straat 33, 9219 Gen­tbrugge

NVT :
Nieuw Vlaams Teater,
Anker­rui 38, 2000 Antwer­pen

West­vlaams Teaterkollek­tief Malper­tu­is :
Sint-Michielsstraat 9, 8880 Tielt

Teater 19 :
Werf­s­traat 108, 8000 Brugge

Teater Her­man Ver­beeck :
Mid­del­heim­laan 59, 2020 Antwer­pen

ETA :
Edukatief Teater Antwer­pen,
Fr. Van Eeden­plein 5, 2050 Antwer­pen

Teater­w­erk­groep Ten­takel :
Tol­straat 61, 2000 Antwer­pen

Podi­um :
De Schiervel­laan 9, 3500 Has­selt

Raamteater :
Hoogstraat 12, 2000 Antwer­pen

Teater De Kelk :
Langes­traat 69, 8000 Brugge

Zwarte Kome­die :
Sud­er­mansstraat 24, 2000 Antwer­pen

INS Internationale Nieuwe Scene
INS Inter­na­tionale Nieuwe Scene

Daaruit verd­wi­jnt nu het NJT en er komen twee pas erk­ende gezelschap­pen bij : TIE 3 (Pre­to­ri­as­traat 22, 2600 Berchem) en Speelteater (Smid­ses­traat 23, 9000 Gent). Voor vol­gend seizoen hebben teater­w­erk­groep Salu, Het Ei en School­jeugdteater eve­neens om erken­ning gevraagd.

ln ‘78-’79 stand het WTAK voor het eerst bij de sprei­d­ings­gezelschap­pen ; voor­di­en hoorde het ais Teater Antigone bij de kamergezeis­chap­pen, nu geni­et het ook ste­un van­wege de provin­cie West-Vlaan­deren. Uit kat­e­gorie D verd­ween dat seizoen Harlek­i­jn ; zes groepen kwa­men erbij : BENT, Stekel­bees, Raamteater, De Kelk, H. Ver­beeck en Zwarte Kome­die.

Het seizoen ‘77-’78 ver­toonde vol­gende ver­schuivin­gen tegen ‘76-’77 : de Inter­na­tionale Nieuwe Scène werd opge­s­plitst in het Kollek­tief INS en De Man­nen van den Dam ; Ten­takel, ETA, Harlek­i­jn, Podi­um ontvin­gen voor het eerst sub­si­dies ; BKT werd van kat­e­gorie C waar het voor­di­en thuishoorde ais « Brus­sels Kamer­toneel », overge­heveld naar kat­e­gorie D, nadat het « Bra­bants Kollek­tief voor Teater­pro­jek­ten » was gewor­den.

Min­stens één geval is bek­end dat in het raam van het tea­ter­dekreet ·niet aan erken­ning toek­wam : KISS, de inter­na­tionale groep die in 1977 in Turn­hout neer­streek en er, o.a. bij gebrek aan geld, twee seizoe­nen lat­er weer moest opbreken. Al beant­wo­ord­den de doel­stellin­gen van de groep volkomen aan de eisen van kat­e­gorie D ( « aktiviteit­en … die kun­nen bij­dra­gen tot de ontwik­kel­ing en de sprei­d­ing van de toneelkun­st ») en al steeg het artistiek peil van zijn voorstellin­gen ver uit boven de Vlaamse doorsneek­waliteit, KISS kwam niet in aan­merk­ing voor sub­si­dies. De voor­naam­ste reden zal wel geweest zijn dat de groep niet uit Bel­gen bestond en geen Ned­er­land­stal­ig toneel maak­te. Andere groep­jes wer­den niet erk­end, waarschi­jn­lijk wegens hün onvoldoen_!’.Jep rofes­sioneel karak­ter.

Wat de geografis­che sprei­d­ing van de dit jaar erk­ende gezelschap­pen betre­ft, spant de provin­cie Antwer­pen de kroon met 18 groepen, gevol­gd door Oost-Vlaan­deren • met 7, West-Vlaan­deren met 5, Bra­bant met 3 en Lim­burg met 1. De groot­ste kon­cen­tratie ligt in de stad Antwer­pen waar 16 gezelschap­pen geves­tigd zijn, EWT (Deurne) en Man­nen van den Dam (Mort­sel) meegerek­end, Gent telt er 6 (Ver­tikaal, Gen­tbrugge inbe­grepen), Brugge en Brus­sel 3. Per kat­e­gorie verdeeld ais vol­gt :

StadTotaalKat. AKat. BKat. CKat. D
Antwer­pen1621310
Gent61-32
Brugge3---3
Brus­sel31-11
Has­selt1---1
AT04 37

___________________________________________________________________

Dat zijn de vijf betrokken provin­ciehoofd­st­e­den. ln Bra­bant en Lim­bùrg bli­jft de kaart daar­buiten wit. ln de andere provin­cies is er nog tetkens één groep gedomic­i­tieerd in de gemeen­ten Kaster­lee en Meche­len (Antwer­pen), Zomergem (Oost-Vtaan­deren), Kor­trijk en Tielt (West-Vlaan­deren).

A

rticle réservé aux abonné·es
Envie de poursuivre la lecture?

Les articles d’Alternatives Théâtrales en intégralité à partir de 5 € par mois. Abonnez-vous pour soutenir notre exigence et notre engagement.

S'abonner
Déjà abonné.e ?
Identifiez-vous pour accéder aux articles en intégralité.
Se connecter
Accès découverte 1€ - Accès à tout le site pendant 24 heures
Essayez 24h
Partager
Partagez vos réflexions...
Précédent
Suivant
Article publié
dans le numéro
Alternatives Théâtrales 4-Couverture du Numéro 4 d'Alternatives Théâtrales
#4
mars 2002

Alternatives théâtrales 4

23 Juin 1980 — Digression Et pour quoi se sera-t-il éperdu, le temps, et pour quoi aura-t-il perduré, dans une représentation?1 Une représentation, du…

Digres­sion Et pour quoi se sera-t-il éper­du, le temps, et pour quoi aura-t-il per­duré, dans une représentation?1 Une…

Par Georges Didi-Huberman
Précédent
21 Juin 1980 — 1. lnleiding We leven in een tijd van bilans, oudstrijders en terugblikken: 150 jaar België, 10 jaar na mei ‘68,…

1. lnlei­d­ing We lev­en in een tijd van bilans, oud­stri­jders en terug­b­likken : 150 jaar Bel­gië, 10 jaar na mei ‘68, enzovoorts. Een bilan opmak­en heeft zijn nut, op voor­waarde dat het geen vlucht wordt : terug­b­likken…

Par Marianne Van Kerkhoven
La rédaction vous propose

Bonjour

Vous n'avez pas de compte?
Découvrez nos
formules d'abonnements

Mot de passe oublié ?