Vorig seizoen, 1978 – 1979, werd het Nederlandstalig beroepstoneel in België bedacht met een rijkstoelage van 302.868.102 fr., uitgesmeerd over 33 gezelschappen. Dat is iets meer dan 3 % van de totale begroting van Nederlandse kultuur, die op 12 juni 1979 aan de Kultuurraad voor de Nederlandse kultuurgemeenschap werd voorgelegd. Die totale begroting beliep 9.557.100.000 fr. Daarvan ging 3.556.800.000 fr. ais dotatie naar de BRT (Belgische Radio en Televisie), 1.915.100.000 fr. naar het kunstonderwijs, 502.250.000 naar volksontwikkeling en samenlevingsopbouw, 389.950.000 naar jeugdvorming. Dat zijn de vier stukken subsidiekoek, die groter zijn dan dat van het beroepstoneel. Dit laatste gaat lopen met het leeuweaandeel uit de begroting voor kunsten, 304.900.000 fr. op 12 juni 1979, later aangepast tot 329 miljoen, of bijna een derde van het totaal, dat , 966.920.000 fr. bedraagt. Ter vergelijking : voor opera en dans werd 235.100.000 fr. voorzien, voor muziek 88.500.000 fr., voor film 57.200.000 fr., voor letterkunde 27.320:000 fr. Openbare lektuurvoorziening van haar kant was goed voor 248.850.ÔOOfr ., Lichamelijke opvoeding, sport en openluchtleven voor 104.100.000fr. ln de praktijk worden die andere begrotingen echter niet voor 100 % waar gemaakt zoals wel gebeurt met het toneel. Hier kunnen al dadelijk een paar vragen worden gesteld. Mag uit die bedragen worden afgelezen welk belang de overheid hecht aan de respektieve sektoren van het kultureel leven ? Krijgt het toneel de steun die het in de Vlaamse samenleving waard is ? Of wordt het overschat en, zo ja, door wie ?
De rijkstoelagen voor beroepstoneel worden toegekend in uitvoering van het zg. teaterdekreet. Sedert 1 januari 1976 wordt de subsidiëring van het Nederlandstalig beroepstoneel in België door dat dekreet geregeld. De officiële tekst, « Dekreet houdende de subsidieregeling voor de Nederlandstalige toneelkunst », door de Kultuurraad voor de Nederlandstalige Kultuurgemeenschap aangenomen en door de koning bekrachtigd op 13 juni 1975, verscheen in het Belgisch Staatsblad op 4 september 1975. Het dekreet behelst drie hoofdstukken : 1. Erkenning van de instellingen voor toneelkunst ; 2. Subsidiëring van de instellingen voor toneelkunst ; 3. Oprichting en samenstelling van de Raad van Advies voor de Toneelkunst.
1. Erkenning
ln het eerste hoofdstuk valt op, dat niet gezelschappen ais zodanig worden erkend, maar « instellingen voor toneelkunst » (art. 1 ). Daardoor worden de gezelschappen gedwongen een juridische struktuur aan te nemen, en niet slechts feitelijke verenigingen te blijven. Ais instelling voor toneelkunst kunnen worden erkend, instellingen die een repertoiregezelschap, een spreidingsgezelschap, een kamergezelschap of een gezelschap voor experimenteel teater of vormingstoneel beheren (art. 3).
Om’voor erkenning in aanmerking te komen moet een instelling ais vo1gt zijn georganizeerd : 1) opgericht zijn hetzij door een openbaar bestuur (provincie, gemeente, Nederlandse kommissie voor de kultuur van de Brusselse agglomeratie), hetzij ais instelling van openbaar nut of ais vereniging zonder winstoogmerk ; 2) beschikken over een vast gezelschap van beroepsakteurs ; 3) indien opgericht door een openbaar bestuur, beschikken over een kommisssie van advies (elf leden, toneeldeskundigen, aangesteld volgens normen in art. 2 omschreven), die het openbaar bestuur bijstaat ; voor i.o.n. of v.z.w. wordt zulke kommissie niet vereist : zij hebben een raad van beheer. Erkenning kan door de koning ingetrokken worden (art. 4) of tijdelijk door de bevoegde minister, d.i. de minister tot wiens bevoegdheid de Nederlandse kultuur behoort, worden verlengd wanneer een instelling niet meer aan de vereiste voorwaarden zou voldoen en er toch nog redenen zijn om de erkenning niet in te trekken (art. 5).
Wat zijn die voorwaarden ? Zij worden gestipuleerd in art. 3 en verschillen naar gelang van de vier reeds genoemde kategorieën. Ais we art. 3 resumeren in een tabel, worden de respektieve vereisten en de onderlinge verschillen aanschouwelijker :

Eerste vaststelling : voor instellingen die een repertoiregezelschap, een spreidingsgezelschap of een kamergezelschap beheren, wordt niet gezegd welke soort van aktiviteiten zij moeten ontplooien ; in tegenstelling tot de instellingen die een gezelschap voor experimenteel toneel of vormingstoneel beheren : daarvan worden aktiviteiten verwacht die een experimenteel en/of tijdelijk karakter hebben en kunnen bijdragen tot de ontwikkeling en de spreiding van de toneelkunst. Over de inhoud van die aktiviteiten wordt verder (gelukkig) niets bepaald.
De verschillende kategorieën worden overigens helemaal niet gedefinieerd noch onderling onderscheiden vanuit een toneelkunstige inhoud. Ware dat nog enigermate mogelijk voor repert6iretoneel, kamertoneel, experimenteel toneel en vormingstoneel — vier termen die elk nog een beeld van een bepaald soort toneel oproepen -, een begrip ais « spreiding » heeft met artistieke inhoud niets vandoen. ln feite is trouwens de naam « spreidingsgezelschap » misleidend : niet alleen de groepen uit kategorie B reizen door heel het Vlaamse land met hun voorstellingen, ook andere doen dat. TIL b.v., erkend ais kamerteater, is voortdurend onderweg ; en zelfs repertoiregezelschappen blijven niet aan hun « vaste » schouwburg gekluisterd : het NTG b.v. gaf in ‘78-’79 een vijftigtal reisvoorstellingen, van Knokke tot Neerpelt ; de KNS gaf in ‘76-’77, buiten 211 voorstellingen in eigen zaal, 67 reisvoorstellingen eiders in Vlaanderen en 10 in Nederland, voor gemiddeld 486 toeschouwers. Het zijn maar voorbeelden. Vlaamse gezelschappen uit aile vier kategorieën steken geregeld ook de Hollandse grens over. De indeling is integendeel van pragmatische aard : een poging om de feitelijke (en uitbreidbare) veelheid van toneelgezelschappen, met het oog op het verdelen van beschikbare kredieten, zodanig te kategorizeren dat zij gesubsidieerd worden naar gelang van hun belangrijkheid.
En daar komt een burgerlijke aap uit de mouw. Nergens wordt in het dekreet over die belangrijkheid met een woord gerept. Zij blijkt echter uit de indeling en de volgorde van de kategorieën zelf, en uit de bedragen die worden toegekend. Burgerlijk daarin is de vanzelfsprekendheid waarmee repertoiregezelschappen vooropstaan en experimenteel teater en vormingstoneel achteraan komen. De gevestigde waarden waar het eerst aan gedacht wordt, zijn rechtstreeks voortgesproten uit het burgerlijk teater van de 19de eeuw. ln hun uiterlijke verschijning getuigen zowel de betrokken schouwburgen ais hun publiek daarvan : zalen à l’italienne, bezocht door erfgenamen van de toenmalige bourgeoisie (ni, ongeveer aile sociale klassen met uitzondering van de onderste). De indeling weerspiegelt van A tot D tevens een historische ontwikkeling, de spreidingskategorie (B) alweer niet te na gesproken : in den beginne, v66r de tweede wereldoorlog, was er het repertoiretoneel ; daarnaast ontstond later, na 1945, wat wij hier nu verstaan onder kamertoneel (Toneelstudio 50 te Gent, de oudste kamertoneelinstelling in Vlaanderen, werd opgericht in 1950); experimenteel toneel werd aanvankelijk ook in de kamerteaters bedreven, maar toen deze op hun beurt aan dynamisme inboetten en iets van een « gevestigd » karakter verwierven, bleek er meer ruimte voor experimenteren te bestaan in wat, andermaal uit een burgerlijke optiek, ais marginaal teater werd gedoodverfd ; na het gewrichtsjaar 1968 stak dan het vormingstoneel de kop op, ais een hedendaagse variante van het maatschappelijk geëngageerd ofte politiek toneel.
De wetgever heeft met de kategorizering van het teaterdekreet de opvattingen over toneel ais maatschappelijk fenomeen, die in onze samenleving overheersen, tot de zijne gemaakt. Het is bij hem ongetwijfeld niet eens opgekomen dat b.v. meer subsidies zouden kunnen voorzien worden voor experimenteel teater dan voor repertoiretoneel, meer voor onderzoek dan voor entertainment. Een wetgever zet de wereld niet op zijn kop. Hij zorgt voor orde, met de bedoeling die te bestendigen, en houdt dus vast aan veiligheid eerder dan dat hij onzekere impulsen stimuleert.

Tweede opmerking : dat een erkende instelling voor toneelkunst over een vast gezelschap van beroepsakteurs moet beschikken (art. 2) wordt voor de kategorieën A, B en C in art. 3 niet verder meer geprecizeerd, wel voor kategorie D. Die gezelschappen moeten namelijk minstens voor de helft bestaan uit beroepsakteurs of stagiairs met een toelatingsbewijs. De wetgever bakent hiermee het professioneel teater af tegenover het amateurtoneel. Ook het vroeger in Vlaanderen nogal eens gehoorde onderscheid tussen professioneel en semi-professioneel wordt niet in aanmerking genomen. Semi-professionele groepen waren destijds samengesteld uit een aantal beroepsakteurs naast amateurs. Het was wel eens een kneep, niet alleen om zich artistiek op te werken maar ook om de hand te kunnen uitsteken voor een stukje subsidie. ln de huidige kategorie D blijft iets over van dat semi-professioneel karakter, maar het dekreet voorkomt dat in zulk gezelschap meer amateurs dan beroepsmensen aan het werk zouden zijn. Zo wordt enerzijds een waarborg en een beveiliging van het professionalisme ingebouwd en anderzijds een kans voor probeersels en vernieuwingen open gelaten.
Wie is beroepsakteu r ? Dat werd door een KB van 5 juni 1969 (Belgisch Staatsblad 26.6.69) « houdende het verlenen en het beschermen van de titel van beroepstoneelspeler en ‑regisseur » bepaald : « De beroepstoneelspeler en de beroepsregisseur zijn kunstenaars die ais hoofdberoep kreatieve prestaties leveren bij het vertolken van dramatisch werk » (art. 1 ). Wie dit beroep op 1 september 1967 uitoefende, kreeg van rechtswege een beroepskaart. De anderen moeten ofwel een diploma van een conservatqrium of een instelling ais het Hoger lnstituut voor Dramatische Kunst (HDIK, Antwerpen) of het Hoger Rijkstechnisch lnstituut voor Toneel en Kultuurspreiding (RITCS, Brussel) hebben, ofwel gedurende vijf jaar stage doen, om de beroepskaart te bekomen. Formeel kan de beroepsakteur gedefinieerd worden als « een toneelspeler met een beroepskaart ». Het teaterdekreet laat de stagiairs alleen toe in gezelschappen uit kategorie D. Overal eiders worden beroepsspelers vereist. Met het oog op de subsidiërfng, wel te verstaan.
Derde punt waar we even bij stilstaan : de kwantitatieve normen, degressief van A over B en C naar D, waardoor van repe-rtoiregezelschappen meer prestaties worden gevorderd dan van de andere, ni. 8 produkties tegen resp. 6, 4 en 0, met min. 160 voorstellingen tegen resp. 140, 120 en 75, en dit in lokalen met min. 450 tegen resp. 250, 50 en 50 zitplaatsen. ln deze· eis blijft de wetgever konsekwent met zijn burgerlijke opvatting : van de zg. officiële schouwburgen wordt méér vereist. AIieen van deze laatste wordt ook gevraagd dat zij zouden ‘meewerken aan de onderlinge uitwisseling van voorstellingen, de zg. draaischijf tussen KNS, KVS en NTG, uitloper van de idee van een Nationaal Toneel uit de jaren ‘20 en van de poging tot verwezenlijking daarvan na de tweede wereldoorlog. Evenzo wordt alleen van de instellingen die een repertoiregezelschap beheren, het bewijs verlangd dat provincie en gemeente zich ertoe verbinden hun financieel steentje bij te dragen, alweer een spoor van de vroegere organizatie van de betrokken schouwburgen.
Een laatste kwantitatieve norm die moet onderstreept worden, is de numerus clausus voor de kategorieën A, B en C : resp. 6, 6 en 15. ln een klein gebied ais het Vlaamse landsgedeelte van België zijn méér gezelschappen niet goed denkbaar. ln feite zijn er nu misschien al te veel, te oordelen naar de middelmatigheid van het artistiek niveau en de versnippering van krachten ; en dan is de numerus clausus op verre na niet bereikt : er zijn th ans 4 gezelschappen in A, 3 in B, 7 in C. Kategorie D laat ook in dit opzicht weer de deur open : geen numerus clausus voor initiatieven, maar evenmin besnoeiing van eventuele wildgroei. Dat in kategorie A zes repertoiregezelschappen mogelijk zijn, betekent dat elke Vlaamse provincie er over een zou kunnen beschikken — dat is dus vijf — plus het KJT. Limburg en West-Vlaanderen zijn daar echter niet aan toe.
ln de praktijk is het aantal door het rijk gesubsidieerde gezelschappen sinds het inwerkingtreden van het teaterdekreet aan enige wijzigingen onderhevig geweest : 23 in ‘76-’77, 28 in ‘77-’78, 33 in ‘78-’79 en 34 in ‘79-’80. De lijst voor ‘78-’79 zag er ais volgt uit :
A. Repertoiregezelschappen
KNS :
Koninklijke Nederlandse Schouwburg,
Komedieplein, 2000 Antwerpen
KVS :
Koninklijke Vlaamse Schouwburg,
Lake,nsestraat 146, 1000 Brussel
NTG :
Nederlands Toneel Gent,
Sint-Baafsplein 7, 9000 Gent
KJT :
Koninklijk Jeugdteater,
KNS, Komedieplein, 2000 Antwerpen
B. Spreidingsgezelschappen
RVT :
Reizend Volksteater,
Arenbergstraat 28, 2000 Antwerpen
MMT :
Mechels Miniatuurteater,
Oude Brusselstraat 10, 2800 Mechelen
WTAK :
Westvlaams Teater Ant’igone Kortrijk,
Rijselsestraat 22, 8500 Kortrijk
C. Kamerteaters
Arena :
Ooievaarstraat 62,
9000 Gent
EWT :
EWT ‑Randstadteater,
Hertstraat 2, 2100 Deurne
(EWT stond oorspronkelijk voor « Eksperi mente le Werkgroep voor Toneel »)
Fakkelteater :
Mutsaertstraat 4, 2000 Antwerpen
NET :
Arca-Nationaal Eigentijds Teater,
Sint-Widostraat 4, 9000 Gent
TIL :
Toneelgezelschap lvonne Lex,
Lange Nieuwstraat 81, 2000 Antwerpen
Brialmontteater : (zo heet JWT sinds 16 april jl.)
Brialmonstraat 11, 1030 Brussel
NJT :
Nationaal Jeugdteater,
Rabotstraat 40, 9000 Gent
D. Experimenteel toneel en vormingsteater
Kollektief INS :
Kollektief Internationale Nieuwe Scène,
Hertstraat 7, 2100 Deurne
Mannen van den Dam :
INS — De Mannen van den Dam,
Rode Leeuwlaan 13, 2510 Mortsel
BKT :
Brabants Kollektief voor Teaterprojekten,
Lollepotstraat 12, 1000 Brussel
Het Trojaanse Paard :
Lange Winkelstraat 32, 2000 Antwerpen
Werkgroep voor vormingsteater :
Vuile Mong en de Vieze Gasten,
Rostraat 2, 9930 Zomergem
Korrekelder :
Kraanplaats 8, 8000 Brugge
BENT :
Belgies-Nederlandse Teaterprodukties,
Lage Rielen 20, 2451 Kasterlee
Teater Stekelbees :
Hoge Weg 166, 9000 Gent
Teater Vertikaal :
Teaterstraat 33, 9219 Gentbrugge
NVT :
Nieuw Vlaams Teater,
Ankerrui 38, 2000 Antwerpen
Westvlaams Teaterkollektief Malpertuis :
Sint-Michielsstraat 9, 8880 Tielt
Teater 19 :
Werfstraat 108, 8000 Brugge
Teater Herman Verbeeck :
Middelheimlaan 59, 2020 Antwerpen
ETA :
Edukatief Teater Antwerpen,
Fr. Van Eedenplein 5, 2050 Antwerpen
Teaterwerkgroep Tentakel :
Tolstraat 61, 2000 Antwerpen
Podium :
De Schiervellaan 9, 3500 Hasselt
Raamteater :
Hoogstraat 12, 2000 Antwerpen
Teater De Kelk :
Langestraat 69, 8000 Brugge
Zwarte Komedie :
Sudermansstraat 24, 2000 Antwerpen

Daaruit verdwijnt nu het NJT en er komen twee pas erkende gezelschappen bij : TIE 3 (Pretoriastraat 22, 2600 Berchem) en Speelteater (Smidsestraat 23, 9000 Gent). Voor volgend seizoen hebben teaterwerkgroep Salu, Het Ei en Schooljeugdteater eveneens om erkenning gevraagd.
ln ‘78-’79 stand het WTAK voor het eerst bij de spreidingsgezelschappen ; voordien hoorde het ais Teater Antigone bij de kamergezeischappen, nu geniet het ook steun vanwege de provincie West-Vlaanderen. Uit kategorie D verdween dat seizoen Harlekijn ; zes groepen kwamen erbij : BENT, Stekelbees, Raamteater, De Kelk, H. Verbeeck en Zwarte Komedie.
Het seizoen ‘77-’78 vertoonde volgende verschuivingen tegen ‘76-’77 : de Internationale Nieuwe Scène werd opgesplitst in het Kollektief INS en De Mannen van den Dam ; Tentakel, ETA, Harlekijn, Podium ontvingen voor het eerst subsidies ; BKT werd van kategorie C waar het voordien thuishoorde ais « Brussels Kamertoneel », overgeheveld naar kategorie D, nadat het « Brabants Kollektief voor Teaterprojekten » was geworden.
Minstens één geval is bekend dat in het raam van het teaterdekreet ·niet aan erkenning toekwam : KISS, de internationale groep die in 1977 in Turnhout neerstreek en er, o.a. bij gebrek aan geld, twee seizoenen later weer moest opbreken. Al beantwoordden de doelstellingen van de groep volkomen aan de eisen van kategorie D ( « aktiviteiten … die kunnen bijdragen tot de ontwikkeling en de spreiding van de toneelkunst ») en al steeg het artistiek peil van zijn voorstellingen ver uit boven de Vlaamse doorsneekwaliteit, KISS kwam niet in aanmerking voor subsidies. De voornaamste reden zal wel geweest zijn dat de groep niet uit Belgen bestond en geen Nederlandstalig toneel maakte. Andere groepjes werden niet erkend, waarschijnlijk wegens hün onvoldoen_!’.Jep rofessioneel karakter.
Wat de geografische spreiding van de dit jaar erkende gezelschappen betreft, spant de provincie Antwerpen de kroon met 18 groepen, gevolgd door Oost-Vlaanderen • met 7, West-Vlaanderen met 5, Brabant met 3 en Limburg met 1. De grootste koncentratie ligt in de stad Antwerpen waar 16 gezelschappen gevestigd zijn, EWT (Deurne) en Mannen van den Dam (Mortsel) meegerekend, Gent telt er 6 (Vertikaal, Gentbrugge inbegrepen), Brugge en Brussel 3. Per kategorie verdeeld ais volgt :
| Stad | Totaal | Kat. A | Kat. B | Kat. C | Kat. D |
| Antwerpen | 16 | 2 | 1 | 3 | 10 |
| Gent | 6 | 1 | - | 3 | 2 |
| Brugge | 3 | - | - | - | 3 |
| Brussel | 3 | 1 | - | 1 | 1 |
| Hasselt | 1 | - | - | - | 1 |

___________________________________________________________________
Dat zijn de vijf betrokken provinciehoofdsteden. ln Brabant en Limbùrg blijft de kaart daarbuiten wit. ln de andere provincies is er nog tetkens één groep gedomicitieerd in de gemeenten Kasterlee en Mechelen (Antwerpen), Zomergem (Oost-Vtaanderen), Kortrijk en Tielt (West-Vlaanderen).



