1. lnleiding
We leven in een tijd van bilans, oudstrijders en terugblikken : 150 jaar België, 10 jaar na mei ‘68, enzovoorts. Een bilan opmaken heeft zijn nut, op voorwaarde dat het geen vlucht wordt : terugblikken om te blijven staan, omdat men toch niet weet hoe het verder moet, omdat men zich achterhaald of gerekupereerd weet.
Ais we 150 jaar Vlaamse toneelgeschiedenis even in vogelvlucht overlopen, de opeenvolgende vernieuwende bewegingen daarbinnen onderkennen en we bekijken dan de struktuur van het huidige theatersubsidiebeleid van de Vlaamse overheid, dan moeten we vaststellen dat — hoe traag de overheid ook reageert — deze recuperatie helemaal niet slecht gelukt is.
ln de vier onderscheiden subsidiekategorieën treffen we de erfgenamen aan van de vier momenten die het Vlaamse theater in zijn 150 jaar geschiedenis bepaald hebben :
1. De eerste kategorie omvat de repertoiregezelschappen, de kleinkinderen van die eerste pogingen om een degelijk, burgerlijk Vlaams theater te grondvesten naast het in de 19de eeuw reeds bestaande officiële Franstalige toneel.
2. De spreidingsgezelschappen vormen via het Reizend Volkstheater een flauwe afspiegeling van wat eens het vernieuwende moment van het Vlaamse Volkstoneel was : een reizend theater dat naar het volk toeging.
3. ln de derde kategorie treffen we aan wat overblijft van de revolte van de Kamertonelen, de vernieuwende beweging van de jaren 1950 – 60.
4. En in de vierde kategorie, die ais titel« experimenteel of vormingstheater » kreeg, vinden we naast het politieke theater, ook nog een hoop van kleinere groepen, die moeilijk op één noemer samen te brengen zijn en waarin ook nog geen vernieuwende uitschieter te onderkennen valt.
Al deze theaterfenomenen zijn « achteraf, na harde strijd » door de overheid met subsidies gehonoreerd geworden. De overheid conserveert in plaats van, wat ontstaat, te stimuleren. Zij koestert de bloemen wanneer ze praktisch uitgebloeid zijn.
Ook nu weer, na de doorgedreven (re)organisatie van het toneelbeleid via het theaterdekreet van 1975, lijken aile kanalen voor wat-nog-komen-moet, dichtgestopt. De huidige moeilijkheden van het politieke theater om zijn subsidies te behouden, kunnen dan ook op twee manieren geïnterpreteerd worden ; — ofwel speelt hier dat soort van « interne wet van het racisme » : de groep die het laatst bijkomt, wordt het meest bedreigd, heeft de meeste moeilijkheden om zich te handhaven ; — ofwel worden de ideeën die het politieke theater zowel organisatorisch ais artistiek aanbracht, nog steeds ais « een gevaar voor de goede orde » beschouwd. Het gevecht van het, politieke theater om ais een erkende aanwezigheid binnen het Vlaamse theatér te kunnen optreden, is niet ten einde. Het politieke theater is niet stervende — zoals sommige tegenstanders wellicht hopen en reeds vroegtijdig verklaren — maar toch is dit theater — ondanks het feit dat het nog steeds terecht de titel kan d ragen van « de meest recente theatervernieuwing » in Vlaanderen — al tien jaar oud.
Het heeft een interne evolutie doorgemaakt en staat mede door de veranderingen in het maatschappelijke klimaat op dit ogenblik op een kruispunt. De richting die het zal kiezen is nog niet duidelijk ; wellicht zijn het richtingen. Wat we vandaag alleen kunnen analyseren is welke krachten er nu aan het werk zijn, die mee de toekomst van het politieke theater zullen bepalen.
2. Het politieke klimaat
Een theater dat de hartslag van het maatschappelijke leven wil volgen, is meer dan welke andere vorm van theater onderhevig aan tendenzen en fluktuaties binnen het maatschappelijk proces ; vooral wanneer deze tendenzen en fluktuaties zich in de subjektieve bovenbouwaspekten van een politieke periode beginnen door te drukken. Zelfs de meest onverbeterlijke optimist zal ten opzichte van enkele jaren geleden een algemene demoralisatie, een zekere apathie, een wanhoop vaststellen, waarvan echter moet nagegaan worden in hoeverre deze fundamenteel is.
Zeker, de arbeidsklasse is door de krisis in een defensievere positie gedwongen, waardoor zij enerzijds aan centrale maatschappelijke aantrekkingskracht schijnt in te boeten en waardoor anderzijds in haar eigen schoot een kloof groeit tussen onmiddellijke objektieven en het einddoel van de strijd voor een andere maatschappij. Deelperspektieven, zoals de vrouwenstrijd, de ecologische beweging, de homostrijd, de kulturele beweging, treden hierdoor meer op de voorgrond van het maatschappelijke strijdtoneel met een dubbel effekt :
- positief is het hieruit groeiende besef dat strijd voor het socialisme méér is dan arbeiders- of loonstrijd alleen : het besef b.v. dater op het kulturele vlak voor kwalitatieve eisen moet gevochten worden, die alles te maken hebben met een doorbreking van de konsumptiekultuur en de bewustzijnsindustrie ;
- negatief is de fragmentatie die hieruit groeit : globale maatschappelijke oplossingen lijken tot mislukken gedoemd ; eenmakende ideologieën verliezen hun zekerheid. De stukken van de maatschappelijke puzzel die na mei ‘68 ais vanzelf hun plaats vonden, passen niet meer in elkaar, ook al wordt b.v. vanuit ecologische hoek (en dan nog meer in het buitenland dan bij ons) gepoogd hier een surrogaatoplossing voor aan te bieden.
Elke krisis, elk opblazen van zekerheden brengt verwarring met zich mee. Maar wellicht is de krisis die wij nu beleven nog onbevattelijker dan die van de eerste W.O. of die van de jaren ‘30 omdat de maatschappelijke realiteit veel complexer en ondoorzichtiger is geworden. De uitbuiting die wij dagelijks in aile aspekten van onze kultuur en onze vrije tijd ondergaan, maakt het gevecht om tot een herstrukturering van de realiteit te komen in een nieuw perspektief, nog veel moeilijker. De greep van het kapitalisme laat zich nu in àlle levenssferen voelen, en niet meer alléén in de werksituatie.
Tegenover deze achtergrond van het in stukken uiteenvallen van een eerder ais eenmakend aangevoeld ideaal, wordt het politieke theater met een reëel gevaar bedreigd, het gevaar ni. om deze fragmentering in eigen rangen tot in het oneindige te gaan doorvoeren. ln plaats van de positieve en negatieve aspekten van deze. ontwikkeling beide ais bouwstenen van het nieuwe nog op te trekken geheelbeeld te beschouwen, worden er keuzes gemaakt. De enen isoleren zich — zo zegt men — in vormdiscussies ; de anderen houden — zo zegt men — vast aan het voorbije ideaal van een zegevierende klassestrijd. Voor de enen bestaat strijdkultuur uitsluitend uit agitprop, voor de anderen is alleen het veel verderliggend perspektief van een socialistische kultuur van tel (wat dat dan ook moge inhouden). Kortom, de enen kiezen — zegt men — voor het· politieke, de anderen voor het artistieke : dat is de polariteit waartussen het politieke theater zich vandaag bevindt.
Wanneer er één negatief punt in het bilan van tien jaar politieke kultuur op te tekenen valt, dan is het wel dat de strijdkulturele beweging nog veel te weinig geleerd heeft dialektisch te denkeil : artistieke vragen zijn niet de facto ondergeschikt aan politieke problemen. Te weinig aandacht voor het artistieke vraagstuk heeft in het verleden mee de politieke ongeloofwaardigheid van de « nieuwe kultuur » bepaald en omgekeerd remt de huidige politieke marginalisering op haar beurt een mogelijke artistieke evolutie af.
Ook vandaag blijft de vraag naar de band van de kultuur met de arbeidersklasse even belangrijk ais de vraag naar de interne kwaliteit van deze kultuur, omdat in een werkelijk socialistisch maatschappelijk perspektief kunst en arbeid niet te scheiden zijn.
3. De band met de theatertraditie

Tegen deze politieke achtergrond wordt de kulturele plaats die het politieke theater inneemt een zeer kontradiktorische. Zowel in Nederland (cfr de Aktie Tomaat) ais in VÏaanderen (cfr de gebeurtenissen van 13 december 1969 in de Beursschouwburg) was het uitgangspunt voor het uiteindelijk ontstaan van het politieke theater de onvrede van een aantal professionele toneelmensen met de verstarde interne strukturen van het « officiële theater », die geen vernieuwing (politiek, organisatorisch of artistiek) toelieten. Vooral de hierarchie in het werkproces werd afgewezen en vervangen door de eerste experimenten met kollektief werk (artistiek) en met vormen van zelfbeheer (organisatorisch). Van een fundamentele artistieke revolte, die zocht naar een nieuwe stijl, was in feite minder sprake en in het klimaat van onmiddellijk na ‘68 kregen zelfbeheer en kollektief werk al gauw een politieke situering.

Omdat er zich op dat ogenblik binnen het Vlaamse the_ater echter niks anders bewoog, werd het politieke theater willens nillens ook tot artistieke avant-garde « uitgeroepen », doch een avant-garde die slechts met één produktie, ni. de Mistero Buffo van de Internationale Nieuwe Scène in de ogen van tegenstanders enige genade vond. De andere produkten (bv. de vertoningen van het Trojaanse Paard en Vuile Mong en de vieze gasten) werden door de tegenstanders afgedaan met een « dat is geen theater ». Op die manier hoefde men geen uitspraak te doen over de politieke inhoud, waarin nochtans de basis van die afkeuring te vinden was. Esthetische, politieke, morele oordelen : alles werd in de eerste kritieken door elkaar gehaald.
Tegenover dit soort aanvallen heeft het politieke theater vaak te eenzijdig gereageerd, met een zich nog sterker verschansen binnen de absolute waarde van de politieke boodschap. Wie echter het politieke theater vandaag nog uitsluitend beschouwd ais « een groepje amateurs die met de vuist omhoog strijdliederen zingen », is ofwel te kwader trouw, ofwel sluit hij zich af van één van de potentieel boeiendste experimenten uit onze theatergeschiedenis.
Bovendien blijft hij blind voor de reële invloed die het politieke theater nu reeds binnen het Vlaamse theaterbestel heeft u itgeoefend.

Ook al situeert zich deze invloed wel degelijk méér in de organisatie van het artistieke proces en in de organisatie van het publiek dan wel in de interne dramatische wetmatigheden, toch grijpen de nieuwe principes die het politieke theater aanbracht ook in op het artistieke resultaat van de vertoningen die in deze nieuwe kontekst tot stand kwamen. Het herontdekken van het « team-work », zelfs in het repertoiretoneel in Vlaanderen, is onmiskenbaar met het fenomeen « politiek theater » te verbinden. Het BKT veranderde zijn naam niet toevallig van Brussels Kamertoneel in Brabants Kollektief voor Theaterprojekten en deze nieuwe naam dekt ook een andere artistieke inhoud. Bepaalde stromingen binnen de huidige Vlaamse dramaturgie, zoals het zgn. « nieuw geëngageerd realisme » zijn onrechtstreeks het produkt van de invloed van het politieke theater. Ook de idee van een potentiële solidariteit en taakverdeling tussen diverse theatergroepen onderling, in plaats van concurrentie en wederzijdse afgunst, betekende een nieuw gegeven in het Vlaamse theater, dat er door de politieke kultuur via haar organisatie, het Kultureel Front, werd binnengebracht. Het afstemmen van stukken op een bepaald publiek, het niet meer van bestaande teksten vertrekken maar een stuk vanaf het begin zelf gaan opbouwen, het terugaanknopen bij een verloren gegane traditie van agitpropkunst en arbeiderskultuur, enz.: het zijn aile facetten die nu in het Vlaamse theater geaccepteerd zijn waarvoor het politieke theater (behalve dan wat de agitprop- en arbeiderskultuur betreft) weliswaar geen 100 % auteursschap kan opeisen , maar waar het wel door consequent met deze elementen te werken een hoop zelfvertrouwen daaromtrent binnen het Vlaamse theater heeft gekreëerd.
Maar een beïnvloeding kan zelden ais een « eenrichtingsverkeer » omschreven worden. ln de laatste jaren heeft het politieke theater zelf ook inspanningen gedaan om vanuit zijn gemarginaliseerde positie weer aan te knopen bij een globalere theatertraditie, die uitgebreider is dan de rechtstreekse voorlopers uit de Duitse en Russische agitprop- en arbeiderskultuur.
Om het artistieke verrijkingsproces op gang te brengen, werd uitgekeken naar hedendaagse lichtende voordelen. Zij werden hoofdzakelijk gevonden bij die groepen die hun maatschappelijke betrokkenheid combineren met een sterk uitgediept en authentiek artistiek instrument ; groepen dus die, op een hoger nivo, konden aantonen dat « over de maatschappij van vandaag vertellen ». Op een manier die een breed publiek ais herkenbaar voorkomt, een eigen toneeltaal met eigen wetten veronderstelt, waarbinnen de vormgeving niet door de inhoudelijke boodschap overheerst wordt, maar met haar in een dialektisch artistiek verband treedt. Deze voorbeelden dragen namen ais : het Théâtre du Soleil, Teatro Campesino, het Werkteater, La Cuadra de Sevilla, Bread and Puppet, the New York Street Theater Garavan enz. en voor de jeUgdtheatergroepen o.m. het Gripstheater. De opening van de horizon bleef echter niet beperkt tot praktische en hedendaagse modellen :
1. Op theoretisch vlak wordt niet meer uitsluitend naar Brecht verwezen ; Boal deed zijn intrede, maar ook Meyerhold en allerlei « theorieën » i.v.m. improvisatie. Het theoretisch nivo van het politieke theater blijft echter nog steeds onder de maat, maar dat is niks nieuws binnen het Vlaamse theater dat integraal lijdt àan een theoretische bloedarmoede, produkt van een onvoldragen theatertraditie.
2. Ook het verleden van het theatererfgoed op wereldnivo wordt binnen het politieke theater meer uitgepluisd : zo wordt het vroegere geflirt met de Commedia dell’arte tot een uitgedieptere studie (bv. in De Herkuls van het Kollektief van de Internationale Nieuwe Scène); de Internationale Nieuwe Scène-Mannen van de Dam waagt zich zowel aan de clownerieën van Karl Valentin ais aan aspekten van het Chinese theater, enz. Het zich opengooien naar de theatergeschiedenis toe, maakt enerzijds de mogelijkheid tot symbiose groter tussen het politieke en het « andere vernieuwende theater », anderzijds leidt het op dit ogenblik tot een proces van assimileren van nieuwe elementen : binnen het polhieke theater vormt zich een smeltkroes van nieuwe indrukken waarbij het op dit moment nog onduidelijk is welke nieuwe syntheses dit proces kan opleveren.
Ook de aard van het kollektieve werk evolueerde onder invloed van de konfrontatie met de theatertraditie. Men ging zich de vraag stellen of alles wel zo absoluut kollektief kon verlopen ais men aanvankelijk gedacht had : om de artistieke uitdieping mogelijk te maken, moesten opnieuw en gedeeltelijk specialismen ivm regie, dramaturgie, techniek enz. worden ingevoerd. Ook de eisen van de subsidiërende overheid duwden deze groepen in de richting van een meer traditionele funktionering. Het is echter nog te vroeg om na te gaan in hoeverre het politieke theater de positieve verworvenheden van het kollektieve werk met de hogere professionele eisen t.o.v. regie, dramaturgie e.d. zal weten te verbinden zonder aan de druk van een vastgeroest traditionalisme in de werkwijze toe te geven.



